Posted by admin on Dec 30, 2008 in
Dagelijkse dingen
Met de Kerstdagen verbleven mijn vriend en ik in Brussel. We waren met wat vertraging vertrokken omdat ik sikkeneurig was van ziekte, hoofdpijn en writer’s block.
Als ik me beroerd voel dan is er een compleet leger nodig om me in beweging te krijgen. Of humor, dat werkt ook. Gelukkig beheerst mijn lief de kunst om me de idiotie van mijn eigen belachelijke smoesjes te doen inzien. Niet lang nadat ik hartelijk om mezelf moest lachen pakte ik fluitend mijn koffer in en stoven we richting het zuiden.
Het gesnotter (griep) en geklaag (hoe moet dat nou, met dat boek?) kon ik gelukkig snel achter me laten, maar de hoofdpijn hield aan, verhevigde zelfs. De eerste dag en avond leek mijn hoofd uit elkaar te barsten en pas nadat ik de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid paracetamolletjes ver had overschreden ebde de pijn een beetje weg en viel ik eindelijk in slaap.
De volgende ochtend liepen we door de stad, mijn hoofdpijn had me ’s ochtends welgeteld een uurtje met rust gelaten en was na het ontbijt alweer begonnen. Overal zong Mariah Carey dat ze alleen mij (of een andere you) voor Kerst wilde. Dat zorgde voor nog meer hoofdpijn want dat lied had ik dit jaar al minstens dertig keer gehoord en zou nooit tot mijn favoriete liedjes gaan behoren.
Mijn Kerstwens liep al naast me, ik mimede de woorden van Mariah na en keek mijn lief veelbetekenend aan. Wat kon ik me nog meer wensen? Dat het schrijven wat meer voortgang zou boeken, dat zou wel een goeie zijn, of dat het geklop in mijn hoofd eens afgelopen mocht zijn.
Even verderop dromden mensen om iets heen. Een tweedimensionaal beeld dat tegen een muur geplakt zat. Er vormde zich een rij en een voor een liepen mensen langs het beeld om het aan te raken. Ik hoorde een oudere man aan een jonge vrouw vertellen dat je een wens moest doen terwijl je het beeld aanraakte.

Dat vertelde ik aan mijn vriend en we sloten aan in de rij. Wat zou ik doen: boek of hoofdpijn? Ik besloot dat het oplossen van de problemen die ik met mijn boek had me een hoop hoofdbrekens zou besparen, dat leek me dus de beste optie. Ik dacht heel sterk aan die wens terwijl ik lachtereenvolgens langs de benen, het engelenhoofdje, een hond en de wang van de figuur streek.
Ik nam er de tijd voor en toen ik even later weer langs het mannetje van wie ik over het wensen had gehoord liep zei deze met een glimlach en een knipoog: ‘Vous avez voulu beaucoup hein.’
Nu lees ik net op reisfotos.com dat het aanraken van het beeld goed werkt tegen ziektes. Daarover heb ik dat mannetje niet gehoord. Ik moet zeggen dat ik na het aanraken geen hoofdpijn meer heb gehad. Ik zweer het, okay, misschien af en toe een lichte steek, maar niets vergeleken bij de drilboren die daarvoor in mijn hersenpan werkzaam waren. Eens kijken hoe het met mijn boek gaat…

Tags: aanraken, beeld, bijgeloof, brussel, figuur, geluk, Kerst, lief, vriend, wens, ziektes
Posted by admin on Dec 17, 2008 in
Verhalen
We leerden elkaar kennen in de Middellandse zee. Haar natte huid glansde in het water en schitterde in het zonlicht. Met haar grote, donkere ogen bekeek ze me aandachtig. Ik zwom hard achter haar aan, tien meter, een kilometer. Al zou ze naar Afrika zijn gezwommen dan nog was ik haar achterna gegaan. Dit was een wezen van buitenaardse schoonheid. Een engel!
Haar rug was licht gekleurd, oranjeachtig. Haar prachtige buik was nog geheel blank. Ze was lang en slank en bewoog zich sierlijk. Ik wilde met haar mee en wilde haar daarna weer mee terugnemen, samen uit, samen thuis, dat idee. Alle clichés die ik in mijn jonge jaren zo belachelijk had gevonden dreven nu aan mijn bewustzijn voorbij als koeien in de sloot. Deze dame was het voor mij. Zoals ze zwom, zo gracieus, als een zeemeermin. Een Noorse.
Het was als in een droom, zo herinner ik me haar. Daarna werd het even een nachtmerrie: eerst verloor ik haar uit mijn gezichtsveld en daarna verloor ik mijn bewustzijn. Ik werd wakker op de boot. De aanwezigheid van mijn vrienden stelde me gerust. Ik zal teveel van het verkeerde vocht binnen hebben gekregen. Ik keek om me heen en zag veel bekende gezichten. Paul, ‘het pantser’, met wie ik al jaren dikke maatjes was en Richard, mijn kleine broertje. Iedereen was er, iedereen behalve zij.
De reis per boot duurde lang, maanden zo leek het. Er werden al kerstbomen opgetogen. Dag en nacht smeekte ik dat ik haar mocht weerzien, al zou het maar voor één keer zijn. Al zou het me mijn leven kosten. Alles om nog één keer die mooie, strakke body van haar te mogen aanschouwen en diep door haar in de ogen te worden gekeken. Samen met haar, voor een ogenblik en in de eeuwigheid.
Eindelijk kwamen we aan in het hotel, groot en luxueus. We werden rondgeleid door de keuken en daarna in de recreatieruimte achter gelaten. Er was een koud bad, met veel ijs erin en er stonden een aantal stoombaden. Ik moest even afkoelen in het ijsbad. Mijn stofwisseling leek stil te staan door zoveel koude, maar misschien was het mijn hart dat een slag oversloeg, want recht tegenover me lag mijn ziel en zaligheid, zij was het, mijn lieveling.
Ik warmde snel op en ook zei leek weer een blos op haar wangen te krijgen. Samen belandden we in een hot tub en lagen heerlijk te bubbelen. Twee koks waren intussen in de weer met parma ham, kwarteleitjes en crème fraîche, ingrediënten voor het kerstdiner. Mijn liefste lag naast me, eindelijk binnen handbereik en ik schoof mijn scharen in de hare. Onze velletjes kleurden roze en daarna rood, ik zag en voelde niets meer behalve mijn liefde, die me nog steeds diep in mijn ogen keek en ik wist: zij gaat mij niet verlaten. Ik kuste haar en liet de geest in de wetenschap dat mijn grootste wens, samen zijn met haar tot in de eeuwigheid was uitgekomen.
“Because… she’s your lobster!”
-Phoebe, Friends-

Tags: diner, friends, Kerst, lobster, phoebe, verhaal
Posted by admin on Dec 12, 2008 in
Verhalen
Op de balletschool hing een affiche van een professionele dansopleiding. Een week later zou er een auditie voor de opleiding worden gehouden in een nabij gelegen stad. Op een tafel in de kleedkamer lag een lijst waarop je je naam kon schrijven als je aan de auditie wilde deelnemen. Dan zou er van tevoren nog een korte les op de balletschool worden gegeven, waarna we gezamenlijk met een bus naar de auditie zouden gaan.
Ik bekeek de lijst. Er stonden vooral namen op van populaire meisjes die volgens mij geen schijn van kans maakten om aangenomen te worden op de academie. Ze zagen er altijd piekpijn uit, dat wel, met hun kaarsrechte, perfecte scheiding in het haar, en een perfecte knot die door een perfecte mama loodrecht op het achterhoofd was gespeld. En ze droegen nooit verwassen kleren en in de balletles altijd glanzend roze panty’s. Maar dansen konden ze niet.
Op het affiche stond dat de dansacademie zich in Amsterdam bevond. Ik vroeg me af hoe dat zou moeten, zo vanuit het zuiden des lands. Zou ik dan elke dag met de trein kunnen gaan of was het daarvoor te ver weg?
Toen Ariënne de kleedkamer binnen kwam liet ik haar de lijst zien.
‘Jezus, wat denken die trutjes wel niet?’ reageerde ze verontwaardigd. ‘Kom, we zetten onze namen bovenaan op de lijst, dat past nog best.’
‘Ja maar,’ protesteerde ik, ‘ik weet nog niet eens of ik wel naar die opleiding wíl.’
Ariënne keek me niet begrijpend aan. ‘Wat wil je dan? De rest van je leven in dit gat blijven wonen en nooit een stap verder komen? Het klasje waar we nu in zitten is hier het hoogst haalbare hoor.’
Ariënne ging er kennelijk van uit dat ik – net als zij – professioneel danseres wilde worden. Maar ik hoefde niet zo nodig verder te gaan met ballet, ik vond het leuk om te leren mijn evenwicht te bewaren terwijl ik op één voet rondjes draaide. En af en toe een beetje gek doen op muziek vond ik ook heerlijk, maar élke dag dezelfde oefeningen en élke dag zo’n monster als Piëta die aan je hoofd zeurt? Nee, dat zag ik niet zo zitten, dan werd ik liever jockey of piloot.
Bovendien vond ik het helemaal niet zo’n probleem om in een afgelegen dorp te wonen. In de stad had ik vast niet genoeg ruimte om lekker buiten te spelen, en het stonk er behoorlijk. Ik was ooit een dagje met mijn vader in Amsterdam geweest. We hadden er kroketten gegeten en hij had een ringetje voor me gekocht dat ik niet lang daarna ben kwijtgeraakt. Iets waar ik overigens niet van wakker kon liggen, het voelde eigenlijk zelfs als een opluchting, want waar haalde die vreemde man het recht vandaan me op te zadelen met een aandenken aan hem? En tevens een aandenken aan die vieze stad, waarvan ik me vooral de vele mensen, de duivenpoep en het lawaai van de trams herinnerde. En overal waar we kwamen rook het naar vette snacks, sigaretten, drank en zweet. Dat leek me geen stad voor mij, niet nu. En trouwens, als ik weg wilde uit het dorp dan kon dat altijd nog, later, over een jaar of negen, als ik ging studeren.
‘Je wilt het echt niet hè?’ zei Ariënne. Ik schudde van nee. ‘Ok, dan ga ik ook niet,’ besloot ze.
‘Waarom niet? Je bent hartstikke goed! Je wordt vast aangenomen.’ wierp ik tegen.
‘En wat dan nog? Er is vast niks aan zonder jou.’
Even later in de les dacht ik na over die ontmoeting met mijn vader. Nog niet eens zo heel lang geleden. Ik weet niet meer zo goed waarom we die dag samen optrokken. De jaren ervoor had mijn vader zich nooit veel van mij aangetrokken en leefde zijn eigen leven. Als ik een brief stuurde met daarbij een uitnodiging om naar mijn verjaardag te komen dan kreeg ik een kaartje terug met: Gefeliciteerd, helaas kan ik niet komen. Dan kreeg ik een of ander stom beertje toegezonden, of een slagroomtaart, die ik haatte omdat ik ze verraderlijk vond. De eerste happen zijn namelijk veel te lekker, lekker romig en zoet en voor je het weet heb je alweer een paar happen teveel op en ben je de rest van de dag misselijk. Die stomme cadeautjes had hij dus beter achterwege kunnen laten. Mijn vader dacht waarschijnlijk dat ik het dan minder erg zou vinden dat hij zijn kop niet liet zien, maar als er dan elke avond een beer in bed op mij wachtte, dacht ik er juist meer aan. Uiteindelijk heeft geen enkel beertje de jaren van zijn afwezigheid overleefd. Vroeg of laat rukte ik ze uit elkaar of verzoop ze in de regenton.
Er werd aan mijn voet gesjord: ‘Strekken!’ gilde Piëta. Als in een reflex strekte ik mijn rechtervoet harder dan ooit tevoren, er schoot een kramp doorheen en ik wilde mijn voet flexen om de kramp te stoppen, maar Piëta drukte met haar hand mijn tenen nog verder in een kromming. ‘Zo,’ zei ze, ‘zó wil ik ze zien, en geen millimeter minder gestrekt.’ Toen ze wegliep flexte ik mijn voet en ging op de bal van de teen staan. Het hielp een beetje tegen de pijn, maar als ik mijn voet weer strekte schoot de kramp er gelijk weer in. Zolang Piëta niet keek liet ik mijn voetje dus lekker los bungelen.
Misschien had mijn moeder die dag dat ik met mijn vader in Amsterdam was weer een of andere cursusdag gehad, en had ze daarom mijn vader gecharterd om een dagje op mij te passen. Cursussen had ze vrij vaak, al jaren. Ze leefde voor haar werk. Meestal werd ik dan bij Wilma, een overbuurvrouw gestald. Wilma mocht ik wel want ze had een kat en een hond en altijd een heleboel cakejes in huis. Haar man kan ik me niet meer zo goed herinneren.
‘Nu doe je het wéér niet! Waar ben je met je gedachten?’ Piëta keek zwaar verontwaardigd. ‘Strekken die rechtervoet!’ brulde ze.
Ja, strekken ja, dat doe ik toch?
‘Met réchts, niet met línks, domoor!’
Ok dus ik stond de oefening met mijn verkeerde voet te doen maar so what? Die andere doet pijn en trouwens: domoor? Pardon? Maar ik kreeg geen tijd om iets terug te zeggen want ze liep alweer naar Christine toe, een Oilily kind dat haar nagels zachtroze lakte. Christine was een paar jaar ouder en jammer genoeg best goed. Helaas wist ze dat ook van zichzelf en had ze nogal wat kapsones. Als ze wat meer haar best zou doen en zich eens in het zweet zou werken dan zou ze het nog wel eens ver kunnen schoppen in de danswereld. Maar Christine hing liever de perfecte, kurkdroge schoonheid uit dan dat ze zich eens ergens voor uit de naad werkte. Piëta complimenteerde haar met haar “prachtige, hoge arabesque”. Ja, prachtig ja. En wederom zonder dat ze daar zelf ook maar iets voor had hoeven doen, want door haar deels Indonesische afkomst had ze een ruggengraat van elastiek. Ja, dan kun je dat been zelfs in je nek leggen.
De rest van de les hoorde ik de aanwijzingen van Piëta niet meer, ze klonken op de achtergrond zonder tot me door te dringen. Zoals de “vanalles” cassettebandjes met muziek die ik al zo vaak had beluisterd dat ik de liedjes die ik erop had opgenomen van begin tot eind kon meezingen zonder na te denken over de betekenis. Waarschijnlijk gaf Piëta inmiddels ook geen aanwijzingen meer die direct voor mijn bestemd waren, ook al keek ze wel nog steeds naar me, dat voelde ik.
Na de les riep ze Ariënne en mij bij zich: ‘Ik heb daarstraks de lijst voor de auditie van volgende week bekeken en het viel me op dat jullie namen er niet op staan. Gaan jullie er op eigen gelegenheid naartoe? Want dan geef ik de formulieren mee die jullie ouders dan moeten invullen en opsturen.’
Ariënne trok haar mond al open maar ik was haar voor. ‘Ja, we gaan er inderdaad zelf naartoe,’ zei ik. ‘Ik heb daarvoor nog pianoles, dus ik kan sowieso niet meedoen met de voorafgaande les en Ariënne moet naar de tandarts. Mijn moeder brengt ons.’
Ariënne keek me verbouwereerd aan, en tegelijk opgelucht.
‘Op zaterdag naar de tandarts?’ vroeg Piëta verbaasd.
Ariënne slikte. ‘Op zaterdag ja.’ Ze antwoordde met een hoog stemmetje. ‘De tandarts is een goede vriend van mijn ouders en hij is nu op vakantie. Volgende week zaterdag komt hij pas weer terug en omdat ik bang ben om naar een andere tandarts te gaan en omdat ik nogal last heb van deze kies hier…’ Ariënne trok haar mond met beide handen open om Piëta te laten zien waar ze zogenaamd pijn had maar die riep al dat het goed was en verdween snel in een aangrenzend kantoortje om de formulieren te halen die we aan onze ouders moesten geven. ‘Door beide ouders laten tekenen hè,’ sprak ze streng. ‘Ik heb alleen een moeder,’ zei ik vragend. ‘O, nou ja, dan alleen door je moeder laten tekenen. Tot volgende week bij de auditie!’

Tags: affiche, Amsterdam, auditie, ballet, balletles, dans, dansauditie, vader
Posted by admin on Dec 10, 2008 in
Dagelijkse dingen
Het wil niet komen
Prangende prammen hangen hoerig open en bloot
Ze staren over de rand, vuren hun venijnige melk
Van gif vergeven in de kelk
Het wordt tijd voor de biecht…
Ik kan niet schrijven, gedichten niet, verhalen niet
Volwassenheid is geboren en onschuld verloren
In een donkere kamer, in de kerk
Ik sta en wankel steeds weer onder
Uit de kerker van mijn ongenoegen schraap ik het beginsel
Van lijden en belijd het geloof zoals ik nog nooit geloof beleden heb
Het geloof in mijzelf zal groeien en daarmee uw geloof in mij, en breng mij niet in vervoering, maar verlos mij van het vage, amen
Helaas, het wil niet meer zo komen als het kwam
Ooit, lang, lang geleden, toen het leven nog rauw en de seks nog ruig was
Alles kwam toen als vanzelf
Boven drijvend als rotte vis, meurend naar het echte leven
Maar nu… Het is zo vlees in wording is het niet?
Wat ik ben is blijvend letsel
Hier, tussen neus en lippen door
Maakten gestoken kaarten het spel vals. Alweer
Las mij in en onderduik mijn vrees
Ik ben geboren voor jullie, mijn liefsten
De wereld snakt naar openbaringen met keizers
En ik versta je neus wel, gezellig levend in mijn wonderbuik
Hier lig ik, nakend in jouw blondgeschoren kam
Je volkse stem, je accent maant mij tot rust
Het komt, het komt in een donker slotenstelsel
door jouw dromen in gemetseld zand

Tags: gedicht, komen, vaderlands, volksmenner