Kids (g)een bezwaar
Ik heb geen kinderen, nooit gewild, nooit gewenst. Een leven zonder kinderen is mij altijd erg goed bevallen. Ik begreep niets van vrouwen die vrijwillig aan het baren sloegen. Je kon toch ook op andere manieren een rol in iemands leven spelen, je hoefde niet per se kinderen te nemen.
Toen kreeg ik een vriend, en niet alleen een vriend, ook de kinderen van mijn vriend. Gelukkig slechts parttime, de kinderen dan. Ze zouden elke twee weken een weekend komen logeren. Dat is goed te doen, denk je als moeder misschien, maar ik dacht meer aan gillend het huis uit rennen.
Een vriendin die ooit de Pabo deed, vroeg ik om raad. ‘Hoe oud zijn ze?’ vroeg ze. Stan, de jongste, was toen net vijf en Gino ging richting de zeven. ‘Het allerbelangrijkste,’ zei ze, ‘is je niet van je stuk te laten brengen. Ze zullen je gaan uitproberen, als jij iets mooi vindt, zeggen zij dat het lelijk is en wat jij lekker vindt, vinden zij vies.’
Ik bereidde me voor op het ergste. De eerste uren waren ze nog timide, maar al snel kwamen ze los: Dit lustten ze niet en dat wilden ze niet en mama maakte betere pannenkoeken en mama was beter dan ik en alles stootten ze om en ik maar weer opruimen en ineens begreep ik wat mensen bedoelen als ze zeggen dat ze hun kinderen soms het liefst achter het behang willen plakken. Maar waarom ze er dan toch aan begonnen waren begreep ik nog steeds niet.
In de weekenden daarna werden ook de uitdrukkingen “het bloed onder de nagels vandaan halen” en “de nagels aan mijn doodskist” invoelbaar voor me gemaakt. Ik probeerde mijn geduld te bewaren en mijn grenzen te bewaken maar ze begonnen me wel danig op de proef te stellen.
Toen kwam het moment waarop de jongste ineens tegen me zei: ik vind jou lief en ik hoor eigenlijk bij mama, maar ik hoor ook een beetje bij jou. Sindsdien heb ik ook kinderen, parttime dan en nog steeds niet gewild maar inmiddels wel degelijk gewenst.




